sleuf

mannelijk/vrouwelijk (de)/sløf/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. langgerekte, nauwe en vrij diepe inkerving of uitgraving
    De arbeider stond in een gegraven sleuf toen die dichtklapte.[http://www.demorgen.be/dm/nl/989/Binnenland/article/detail/1712791/2013/09/27/Arbeider-bedolven-in-sleuf-in-Middelkerke.dhtml De Morgen 27 sept 2013]

Etymologie

*mogelijk van "sloven", in de betekenis van ‘smalle groef’ aangetroffen vanaf 1625

Vertalingen

Engelsslot
Spaansranura