slib

onzijdig (het)/slɪp/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. geologie (geologie) afzetting op de bodem van in (stromend) water aanwezige vaste deeltjes.
    Heden ten dage wordt slib niet veel meer gebruikt omdat mest beter zou zijn en veel slib tegenwoordig verontreinigd is, veelal met zware metalen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘bezinksel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1528

Vertalingen

Engelssilt
Franslimon
DuitsSchlick
Spaanscieno
Deenssilt, slam