slimmerd

mannelijk (de)/ˈslɪmərt/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een sluw iemand die slechte bedoelingen heeft
    Het klinkt ingewikkeld, en het is een beetje een gedoe om die vorm te vullen, maar de grote, ronde ijsballen (6 cm doorsnede) zien er wel tof uit. Je kan er ook bloemetjes of fruit in stoppen, wat het nog mooier maakt. Maar het kan ook zomaar zijn dat je 27 euro betaalt aan een groep slimmerds die je laten betalen voor bevroren water. NRC Charlotte van ’t Wout 3 juni 2015
  2. een intelligent, slim, schrander iemand
    Dirk was een slimmerd, want toen hij 24 was trouwde hij op zijn verjaardag, 3 februari 1910, de toen 23-jarige Martha Margaretha Raijmann. NRC Georgina Verbaan 1 december 2016

Etymologie

*afgeleid van slim