slippen
/slɪpə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (erga) wegglijdenHet ijsblokje slipte uit zijn hand.
- (erga) door gladheid over de weg schuivenDe auto slipte over de weg.
Etymologie
* In de betekenis van ‘wegglijden’ voor het eerst aangetroffen in 1588
Vertalingen
Engelsslip, skid
Fransdéraper, glisser
Duitsschlittern, rutschen, schleudern
Spaansderrapar, patinar
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek