slopen

/ˈslopə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. een structuur ontmantelen, afbreken
    Deze auto kan beter gesloopt worden.
  2. fysiek uitputten
    Na de hardloopwedstrijd was ik gesloopt.
    Na het nemen van de afslag ziet de weg naar boven er nog even mild uit, maar dan begint het asfalt al snel te welven. Er is minder dan een handvol haarspeldbochten, maar de hellingsgraden slopen de eerste reserves uit de benen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘afbreken’ voor het eerst aangetroffen in 1377

Vertalingen

Engelsdemolish, scrap
Fransdémolir, démanteler, bousiller
Duitsabbrechen, abreißen
Spaansdemoler, derruir