sluier
mannelijk (de)/ˈslœyjər/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- dunne doek, waarmee men een lichaamsdeel of het gezicht bedekt
- onbedoelde zwarting van de gevoelige laag van foto's waardoor er een wit waas over de afbeelding komt
Etymologie
* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘doorzichtige doek’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1527
Vertalingen
Engelsveil
Fransvoile
DuitsSchleier
Spaansvelo
Italiaansvelo
Portugeesvéu
Deensslør
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek