sluiten
/ˈslœytə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov), (techniek) door middel van een apparaat (zoals een paal, grendel, slot, deksel, knop, haak e.d.) dichtmakenWe moeten deze weg sluiten voor het wegverkeer, anders gebeuren er ongelukken.Napoleon gaf de Route Nationale 7 haar naam. Hij maakte zelf ook gebruik van de weg. Zo overnachtte hij in de Auberge de la Teste Noire in Saint-Symphorien-de-Lay, net als Frans I, Rousseau en Rabelais. Het gebouw is niet meer in gebruik als herberg. In 1814 sliep Napoleon op weg naar Elba in het Relais de l'Empereur in Montélimar. Dat hotel is een paar jaar geleden gesloten. Volgens Trip Advisor stond het de laatste jaren bekend om zijn stoffige kamers, deplorabele ontvangst en gesloten restaurant.
- (ov), (juridisch) een compromis/overeenkomst, [...] ~: tot een gezamenlijke overeenstemming komen en die min of meer officieel makenZij hebben toch nog een compromis weten te sluiten.
- (intr) dichtgaanDe doos sluit niet goed.
- (intr) een einde nemenDe tentoonstelling sluit om 16:00.
Etymologie
* (erfwoord): Middelnederlands slūten, ontwikkeld uit Oergermaans *slūtan- ‘(af)sluiten’, met mobiele s uit Indo-Europees *kleh₂u-d- (waaruit ook Latijn claudere ‘sluiten’ en Litouws kliudýti ‘doen aanhaken’), dentaal-afleiding van de wortel *kleh₂u- ‘haak, pin’, waartoe ook Iers cló ‘spijker’, Grieks klēís ‘grendel’ en Russisch ključ ‘sleutel’ behoren. Evenals Nederduits sluten, slüten, Duits schließen en Fries slute. Verwantschap met slot, sleutel.
Vertalingen
Engelsclose, conclude, close
Fransfermer, clore
Duitsschließen, treffen
Spaanscerrar
Italiaanschiudere
Portugeesfechar
Chinees關, 关
Koreaans닫다, 덮다
Turkskapatmak
Poolszamykać, zawierać
Zweedsstänga
Deenslukke
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek