smaak

mannelijk (de)/smak/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding, drinken (voeding), (drinken) zintuig waarmee men mee proeft
    'Maar nu zie ik dat Brandt bij zijn keuze van een echtgenote evenveel smaak heeft als op andere gebieden.
  2. voeding, drinken (voeding), (drinken) gewaarwording bij het proeven van eten en drank
    Het duurde even voordat ik de smaak kon plaatsen.
  3. figuurlijk (figuurlijk) bepaalde subjectieve voorkeur
    Dat is niet naar mijn smaak.
    ' 'Misschien hield hij niet van de smaak van magere meisjes,' zei Isaac.

Etymologie

* In de betekenis van ‘zintuig om te proeven’ voor het eerst aangetroffen in 1100

Uitdrukkingen

  • De smaak te pakken hebbenErgens enthousiast over raken, iets aangenaam vinden en er daarom meer van willen
  • Er zit kraak noch smaak aan(Van iets eetbaars) Het smaakt niet
  • In de smaak vallenaanslaan [4], bevallen [1]
  • Kraak noch smaak hebben(Van iets eetbaars) Niet smaken, geen smaak hebben
  • Over smaak valt niet te twisten.Iedereen heeft zijn eigen persoonlijke voorkeur
  • Smaken verschillen.Iedereen heeft zijn eigen persoonlijke voorkeur

Vertalingen

Engelstastebud, taste, taste
Fransgout, gout, gout
Spaanssabor, sazón, gusto