smak

mannelijk (de)/smɑk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. val eindigend in een luide plof.
    Hij maakte een lelijke smak en brak zijn rechterbeen.
  2. ploppend, met de mond voortgebracht geluid
  3. informeel (informeel) stevige zoen, die een ploppend geluid kan maken
  4. informeel (informeel) grote hoeveelheid
tussenwerpsel
  1. geluid van gretig eten
zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart, historisch (scheepvaart) (historisch) vaartuig zonder onderra dat zich met de kustvaart en visvangst bezig hield
    In het ruim van een smak kon van alles en nog wat vervoerd worden.
zelfstandig naamwoord
  1. gedroogde en tot poeder gemalen bladeren en loten van de mediterrane heester en verwante planten, gebruikt bij het bewerken van leer
  2. benaming voor planten uit het geslacht of stof daarvan)

Etymologie

*[C] uitspraakvariant van sumak