smak
mannelijk (de)/smɑk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- val eindigend in een luide plof.Hij maakte een lelijke smak en brak zijn rechterbeen.
- ploppend, met de mond voortgebracht geluid
- (informeel) stevige zoen, die een ploppend geluid kan maken
- (informeel) grote hoeveelheid
tussenwerpsel
- geluid van gretig eten
zelfstandig naamwoord
- (scheepvaart) (historisch) vaartuig zonder onderra dat zich met de kustvaart en visvangst bezig hieldIn het ruim van een smak kon van alles en nog wat vervoerd worden.
zelfstandig naamwoord
- gedroogde en tot poeder gemalen bladeren en loten van de mediterrane heester en verwante planten, gebruikt bij het bewerken van leer
- benaming voor planten uit het geslacht of stof daarvan)
Etymologie
*[C] uitspraakvariant van sumak
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek