smokkelarij

vrouwelijk (de)/ˌsmɔkəlaˈrɛi/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. herhaaldelijk goederen stiekem over de grens brengen om accijns, invoerrechten of een verbod te omzeilen zodat ze met veel winst kunnen worden verkocht
    Alleen Venezuela was pesterig genoeg om op alle import uit kolonies in zijn omgeving speciale, zware ‘Antilliaanse rechten’ te heffen, waarmee het overigens smokkelarij op grote schaal in de hand werkte.

Etymologie

*afgeleid van "smokkel"