woorden
boek
Start
›
S
›
smoor
smoor
mannelijk/vrouwelijk (de)
/smor/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
damp, nevel, mist
de ~ in hebben: ergens boos over zijn
Hij had daar flink de smoor over in.
smoorverliefd
Verwante woorden
Smook
smookt
smookte
smookten
smoorde
smoorden
smoordronken
Smoorenburg
smoorheet
smoorhete
smoorklep
smoorkleppen
Bron:
OpenTaal
&
WikiWoordenboek
← smookten
smoorde →