snabbelen

/ˈsnɑbələ(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov, voeding (ov) (voeding) als snack eten
    Bij het biertje ook nog wat om te snabbelen ernaast.
    Hij had honger. Ik maakte iets te snabbelen.
  2. inerg, dierengeluid (inerg) (dierengeluid) luid kwekken
  3. inerg (inerg) opgewekt praten over zaken van weinig belang
    Zonder een vin te verroeren was ze tussen die snabbelende en babbelende cafégangers een schoolvoorbeeld van aanstootgevend gedrag.
  4. inerg (inerg) snel maar onverstaanbaar spreken

Etymologie

*[2], [3], [4] van Middelnederlands """, op te vatten als (freqtt) van "snabben"