sneeuwgors
mannelijk/vrouwelijk (de)
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (zangvogels) een zangvogel uit de familie van deDe sneeuwgors broedt op de toendra van het hoge noorden, maar is 's winters soms aan de Vlaamse of Nederlandse kust waar te nemen.
Vertalingen
Engelssnow bunting
Fransbruant des neiges, plectrophane des neiges
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek