snerpen
/ˈsnɛrpə(n)/
Betekenis
werkwoord
- een luid, snijdend, schril, scherp, onaangenaam geluid maken`Ha!' snerpte Theo. 'Ha!' herhaalde hij. 'Wat weet jij nu van altijd? Je zegt "altijd" tegen mij, die door jullie om nietige boodschapjes door de tijd heen gestuurd wordt en die nu zevenendertig keer zo oud is als het heelal zelve! Kies je woorden een beetje zorgvuldiger, wil je,' zei hij, 'en met meer tact.' {{Aut |Adams, Douglas Eoin ColferIn het huis snerpt een stem, de herkenning ervan doet hem huiveren. Er vallen klappen, iets zwaars — zijn vader, neemt hij aan — slaat als een zak aardappelen tegen de grond. {{Aut|Beijnum, Kees van
- een erge, scherpe pijn veroorzaken
Etymologie
* uit het
Vertalingen
Engelscut, bite
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek