snuiten
/ˈsnœytə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (ov) door beurtelings de neus samen te knijpen en door de neus te blazen slijm uit de neusholte verwijderen
- het inkorten van de lont van een brandende kaars om het walmen te beperken
werkwoord
- (ov) (bouwkunde) een uitstekende scherpe hoek wegnemen, afsnuiten
Vertalingen
Engelsblow one's nose
Fransmoucher
Duitsschnäuzen, schnäuzen
Spaanssonarse
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek