soep
mannelijk/vrouwelijk (de)/sup/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (voeding) vloeibaar gerecht dat bereid wordt door bepaalde ingrediënten, met name groenten en/of vlees, met bouillon en veel water te koken'Loop je even mee naar de keuken? Ik heb die selderijknol meegebracht die je voor de soep wilde hebben.Na gisteren lasagne te hebben gegeten, eten ze vandaag soep.' Ze aten hun uit Meerkerk meegebrachte Kuch, die ze na de pan met soep uit voorzorg voor later hadden bewaard, wasten de Wijngaardse modder van hun gezicht en handen en genoten van hun sigaret.
Etymologie
*van "soupe", in de betekenis van ‘vloeibare kost’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1745
Uitdrukkingen
- er geen soep van kunnen maken
- in de soep draaien
- in de soep lopen
- in de soep spugen
- niet veel soeps zijn
- de soep wordt nooit zo heet gegeten als zij wordt opgediend
- : sop, sup
Vertalingen
Engelssoup
Franssoupe, potage
DuitsSuppe
Spaanssopa, potaje
Italiaanszuppa
Portugeessopa
Turksçorba
Poolszupa
Zweedssoppa
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek