sofist

mannelijk (de)/soˈfɪst/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. Beoefenaar van het sofisme:
  2. Griekse filosoof in de tweede helft van de 5e eeuw v.Chr., die de filosofie op de praktijk toepaste
  3. iemand die scherpzinnige drogredenen aanvoert

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘die scherpzinnige drogredenen aanvoert’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1621

Vertalingen

Spaanssofista