sousafoon

mannelijk (de)/ˌsusaˈfon/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. zeer groot (oorspronkelijk) koperen blaasinstrument
    Hij was net terug van een rondgang met de harmonie Caecilia door het stadje. Toen plotseling boven Ootmarsum een hevige onweersbui losbarstte. Muzikant Marinus Stroot bedacht zich niets, pakte zijn sousafoon en zocht een veilig heenkomen onder een tafel in de feesttent.
    Michael van Praag viert komend jaar zijn 69ste verjaardag. Toch staat hij volgende week vrijdag voor zijn interlanddebuut. De voorzitter van de KNVB speelt met zijn sousafoon mee met de Drum- en Showband Adest Musica uit Sassenheim, die voorafgaande aan de oefeninterland tussen Oranje en Frankrijk het Wilhelmus en de Marseillaise laat horen.

Etymologie

*van "sousaphone", (eponiem) afgeleid van de achternaam van de 19e-eeuwse Amerikaanse dirigent op wiens aanwijzingen het instrument rond 1893 werd