spagaat

mannelijk (de)/spaˈɣat/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. sport (sport) een gymnastische houding waarbij een been naar voren en een naar achteren is gestrekt en een hoek van 180° vormen
    Hij blesseerde zich bij het doen van een spagaat.
  2. figuurlijk (figuurlijk) een moeilijke positie waarin iemand verkeert die zich gedwongen voelt rekening te houden met tegengestelde belangen en dergelijke
    Ze bevindt zich in een spagaat of ze wél of níét die wijziging door moet voeren.
    De ECB zit daardoor in een spagaat: inflatie beteugelen door de rente te verhogen of een recessie voorkomen door de rente te verlagen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘spreidzit’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1970