speaker

mannelijk (de)/ˈspikər/

Wat is de betekenis van speaker?

speaker betekent: (beroep) (politiek) omroeper, voorzitter Angelsaksich parlement

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. beroep, politiek (beroep) (politiek) omroeper, voorzitter Angelsaksich parlement
  2. elektronica (elektronica) een apparaat dat een elektrisch signaal omzet naar geluid

Voorbeelden van "speaker" in een zin

  • De speaker vroeg herhaaldelijk om stilte toen de parlementariërs luid door elkaar aan het praten waren.
  • Hij had twee grote speakers in zijn huiskamer.

Etymologie

uit het Engels to speak