spectrum

onzijdig (het)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. natuurkunde (natuurkunde) verzameling als functie van de frequentie gemeten waarden van een grootheid
    Het Raman-spectrum vertoont pieken die met de trillingwijzen van het molecuul verband houden.
  2. kleurenband
    De regenboog is een spectrum ontstaan door breking van zonlicht.
  3. reeks van verscheidenheden

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘kleurenband, scala’ voor het eerst aangetroffen in 1858

Vertalingen

Engelsspectrum
Spaansespectro