speculaas

mannelijk (de)/ˌspekyˈlas/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) een harde, droge kruidkoek, die vooral rond Sinterklaas gegeten wordt, soms gevuld met amandelspijs
    Alleen al het inkopen doen voor de kerstmaaltijd. En het je herinneren hoe het zat met dadels en speculaas, het dopen van stukjes brood in hambouillon, varkenspootjes, stokvis met piment en witte saus op Zweedse wijze of spek in eigen vet, mosterd en doperwtenpuree op Noorse wijze, welke soorten noten verplicht waren — en op het laatste moment op kerstavond zelf notenkrakers aanschaffen —, rolham, haring en rijstebrij.

Etymologie

* In de betekenis van ‘sinterklaaskoek’ voor het eerst aangetroffen in 1898

Vertalingen

Fransspéculoos
DuitsSpekulatius
Spaansgalletas de especias, speculaas, spekulatius