spel

onzijdig (het)/spɛl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. bezigheid ter ontspanning volgens vaste regels met elementen als competitie, behendigheid, inzicht en kans
    Hij speelde een spel op zijn gloednieuwe spelcomputer.
    Naast allerlei paternalistische suggesties van een geëngageerde hogere middenklasse op het terrein van voeding, gezinsleven en geheelonthouding, namen allerlei vormen van lichaamsbeweging en spel overal in Europa een prominente plaats in bij de 'volksverheffers', zoals historicus Christianne Smit ze treffend noemt.
    Volgens Allen Guttmann is de loskoppeling van sport en spel met religieuze rituelen of connotaties in de loop van de negentiende eeuw cruciaal geweest voor de ontwikkeling van sport als eigen sociaal-cultureel domein.

Etymologie

*(erfwoord), via Middelnederlands "spel" van Oudnederlands "spil", in de betekenis van ‘ontspanning’ aangetroffen vanaf 951

Uitdrukkingen

  • alles op het spel zettenalles inzetten en mogelijk alles verliezen
  • brood en spelenvoedsel en vermaak, opgevat als middelen voor een regiem om de bevolking rustig te houden
  • buiten spel blijvenniet betrokken raken
  • hoog spel spelenveel of grote risico's nemen
  • niet om de knikkers, maar om het spelhet gaat niet om het winnen, maar om het vermaak
  • ongelukkig in het spel, gelukkig in de liefdewie pech heeft in iets onbelangrijks kan geluk hebben bij iets belangrijkers
  • op het spel zettenriskeren om iets anders te bereiken

Vertalingen

Engelsgame
Fransjeu
DuitsSpiel
Spaansjuego
Italiaansgioco
Poolsgra
Deensspil