spelen
/ˈspeːlə(n)/
Betekenis
werkwoord
- (intr) recreatief en/of ontspannend bezig zijnDe kinderen zijn rustig aan het spelen.
- (muziek) muziek maken op een muziekinstrumentTatertot was helemaal op dreef en had inmiddels geregeld dat Necktie met zijn gitaar kon meedoen met de lokale bluegrassband die in de brouwerij aan het spelen was.
- (intr) niet serieus bezig zijn
- (intr) ~ met onvoorzichtig/ondoordacht/onbezonnen omgaan met iets kostbaarsHij speelt met zijn leven!
- (seksualiteit) met zichzelf ~ masturberen
- (ov), (toneel), (filmkunst) invulling geven aan een rol [3]
- het vervullen van een functieWaarschijnlijk was het helemaal niet terecht geweest dat hij de twee Duitse schrijvers had vervloekt die om een of andere reden niet samen in het Grand Hotel in Saltsjôbaden wilden verblijven, zodat een van hen, helaas de bolsjewiek en niet de Nobelprijswinnaar, bij hen thuis in Villa Bellevue moest logeren. Wat tot gevolg had dat hij naar huis moest om de gastheer te spelen.
Etymologie
* In de betekenis van ‘zich vermaken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236
Uitdrukkingen
- met de voeten spelen
- Advocaat van de duivel spelen — Iemand die iets verkeerds heeft gedaan, desondanks verdedigen
- De eerste viool spelen — Het hoogste woord hebben en de baas spelen
- De vermoorde onschuld spelen — Zie onschuld
- Hoog spel spelen — veel of grote risico's nemen
- Hoog spel spelen — Veel of grote risico's nemen
- Iemand in de kaart spelen — Iemand onbewust helpen (terwijl dat juist niet de bedoeling is)
- Luistervinkje spelen — Stiekem een gesprek tussen anderen afluisteren
Vertalingen
Engelsplay, perform, play
Fransjouer
Duitsspielen
Spaansjugar, tocar
Russischиграть, поиграть
Poolsgrać
Zweedsagera
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek