spijs

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) bereid voedsel; maaltijd
    De spijzen werden opgediend.
  2. voeding (voeding) min of meer vloeibaar of kneedbaar mengsel, dat gebruikt wordt voor de bereiding van bepaalde producten
    Paasbrood gevuld met spijs.
  3. door baggeren of uitgraven verkregen grond

Etymologie

* Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘voedsel’ voor het eerst aangetroffen in 1236

Vertalingen

DuitsSpeise
Spaansmanjar, plato