spijt

mannelijk/vrouwelijk (de)/spɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. psychologie (psychologie) besef dat men ten onrechte iets wel of juist niet heeft gedaan
    ' Zij was ooit ook zo? Bibi? Hoe dan? 'Het spijt me, ik ben te moe,' zegt Bibi.
    We willen u laten weten dat mevrouw Linda du Perron de zaak die ze tegen u heeft aangespannen vanmorgen heeft ingetrokken. Het spijt ons. We hopen u hiermee niet te veel te hebben belast.
    Ik heb spijt dat ik zoveel heb gekocht.
voorzetsel
  1. verouderd (verouderd) ondanks
    Hij is spijt dezes toch gekomen.

Etymologie

* Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘berouw’ voor het eerst aangetroffen in 1436

Uitdrukkingen

  • Spijt betuigenVerontschuldigingen aanbieden
  • ten spijt
  • Tot onze spijtHelaas, wij vinden het jammer dat het zo is
  • Tot spijt van wie het benijdtHet is jammer voor degenen die er niet blij mee zijn (vooral Vlaams)

Vertalingen

Engelsregret
Spaansremordimiento