spil

/spɪl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. scheepvaart (n) (scheepvaart) een kaapstander
    Als zware spil was de toen normale horizontale ankerspil op het voorschip gebruikelijk.
  2. (f)/(m) de as waar iets rond draait
  3. figuurlijk (f)/(m), (figuurlijk) iets wat of iemand die een centrale plaats inneemt
    Deze sutra stelt dat de vrouw de spil, de belangrijkste regulerende kracht is in het gezin.
  4. voetbal (voetbal) midhalf, centrale middenvelder
  5. hoofdas van een deel van een plant waaromheen weer meer gelijkvormige onderdelen zitten

Etymologie

* In de betekenis van ‘pen, as’ voor het eerst aangetroffen in 1163

Vertalingen

Engelsaxis, axle, pivot
DuitsSpill, Achse, Drehpunkt
Spaanscabrestante, eje
Italiaansalbero