spil
/spɪl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (n) (scheepvaart) een kaapstanderAls zware spil was de toen normale horizontale ankerspil op het voorschip gebruikelijk.
- (f)/(m) de as waar iets rond draait
- (f)/(m), (figuurlijk) iets wat of iemand die een centrale plaats inneemtDeze sutra stelt dat de vrouw de spil, de belangrijkste regulerende kracht is in het gezin.
- (voetbal) midhalf, centrale middenvelder
- hoofdas van een deel van een plant waaromheen weer meer gelijkvormige onderdelen zitten
Etymologie
* In de betekenis van ‘pen, as’ voor het eerst aangetroffen in 1163
Vertalingen
Engelsaxis, axle, pivot
DuitsSpill, Achse, Drehpunkt
Spaanscabrestante, eje
Italiaansalbero
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek