spits
mannelijk/vrouwelijk (de)/spɪts/
Wat is de betekenis van spits?
spits betekent: (verkeer) grote drukte in het verkeer op terugkerende tijdstippen
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (verkeer) grote drukte in het verkeer op terugkerende tijdstippen
- (sport) binnen een ploeg een aanvallende speler die een positie opzoekt waarin hij een doelpunt kan maken
- (scheepvaart) klein vrachtschip, binnenschip (ook wel gebruikt als woonboot)
- (bouwkunde) scherp, puntig uiteinde, hoogste punt
- (verouderd) beste vriend
Voorbeelden van "spits" in een zin
- Hij ging in de spits naar zijn werk.
- Van de aanvallers is de spits meestal diegene die de meeste doelpunten maakt.
- Even later tekende Lewandowski wel voor zijn tiende Champions League-treffer. Oud-Ajacied Maximilian Wöber ging het duel met de Poolse spits veel te lomp in, waarna Lewandowski zijn zelf verdiende strafschop snoeihard in de linkerhoek schoot: 1-0.
- De spits van de kerktoren.
Etymologie
*: "spitsen" zonder de uitgang -en
Uitdrukkingen
- de/het spits afbijten
- de/het spits bieden aan
- op de spits drijven
Vertalingen
Engelsrush hour, peak hour, striker
Fransheure de pointe, attaquant, péniche
DuitsStoßzeit, Spitze, Stürmer
Spaanshora punta, hora pico, delantero
Italiaansattaccante
Portugeeshora do rush, avançado, atacante
Zweedsanfallare
Deensangriber
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek