spits

mannelijk/vrouwelijk (de)/spɪts/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verkeer (verkeer) grote drukte in het verkeer op terugkerende tijdstippen
    Hij ging in de spits naar zijn werk.
  2. sport (sport) binnen een ploeg een aanvallende speler die een positie opzoekt waarin hij een doelpunt kan maken
    Van de aanvallers is de spits meestal diegene die de meeste doelpunten maakt.
    Even later tekende Lewandowski wel voor zijn tiende Champions League-treffer. Oud-Ajacied Maximilian Wöber ging het duel met de Poolse spits veel te lomp in, waarna Lewandowski zijn zelf verdiende strafschop snoeihard in de linkerhoek schoot: 1-0.
  3. scheepvaart (scheepvaart) klein vrachtschip, binnenschip (ook wel gebruikt als woonboot)
  4. bouwkunde (bouwkunde) scherp, puntig uiteinde, hoogste punt
    De spits van de kerktoren.
  5. verouderd (verouderd) beste vriend

Etymologie

*: "spitsen" zonder de uitgang -en

Uitdrukkingen

  • de/het spits afbijten
  • de/het spits bieden aan
  • op de spits drijven

Vertalingen

Engelsrush hour, peak hour, striker
Fransheure de pointe, attaquant, péniche
DuitsStoßzeit, Spitze, Stürmer
Spaanshora punta, hora pico, delantero
Italiaansattaccante
Portugeeshora do rush, avançado, atacante
Zweedsanfallare
Deensangriber