spleet

mannelijk/vrouwelijk (de)/splet/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. langgerekte nauwe en betrekkelijk diepe opening, meest langs een nerf of snede
    De vogel gebruikte de spleet in de boomstam om er een nest te bouwen.
  2. anatomie, eufemisme (anatomie), (eufemisme) "vagina"

Etymologie

* In de betekenis van ‘kier’ voor het eerst aangetroffen in 1342

Vertalingen

Engelscrack, crevice
Spaansgrieta, hendedura, hendidura
Deensspalte