sport
mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/
Wat is de betekenis van sport?
sport betekent: lichamelijke bezigheid ter ontspanning of als beroep met spel- of wedstrijdelement waarbij conditie en vaardigheid vereist zijn
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- lichamelijke bezigheid ter ontspanning of als beroep met spel- of wedstrijdelement waarbij conditie en vaardigheid vereist zijn
- spel
- trede van een ladder
- stoelspaak
Voorbeelden van "sport" in een zin
- Al is dit onderzoek inmiddels bijgesteld, een direct verband tussen industrialisering en de modernisering van sport blijft moeilijk vast te stellen.
- Het makkelijkst is de invloed van industrialisering op sport misschien nog te verklaren op basis van harde cijfers: de toename in productiviteit en inkomen maakte ruimte voor sportieve vrijetijdsbeoefening en de 'passieve' sportliefhebber (en dus een consumentenmarkt voor sport), vooral vanaf het laatste kwart van de negentiende eeuw - dus bijna een eeuw na de eerste industriële productielijnen in het Verenigd Koninkrijk.
- Sommige fabrikanten zagen sport in hetzelfde licht als een middel tegen oprukkend socialisme, een disciplineringsinstrument om de werkende klasse mee in het gelid te houden.
- Voor England was het een sport om zo zuinig mogelijk te leven.
Etymologie
* In de betekenis van ‘trede van ladder’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1301
Uitdrukkingen
- een sport maken van
Vertalingen
Engelssport, rung, rung
Franssport, échelon, barreau
DuitsSport, Sprosse, Steg
Spaansdeporte, escalón, barrote
Italiaanssport
Portugeesesporte, desporto
Russischспорт
Japansスポーツ, supōtsu
Poolssport
Zweedssport
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek