sport

mannelijk/vrouwelijk (de)/xxxx/

Wat is de betekenis van sport?

sport betekent: lichamelijke bezigheid ter ontspanning of als beroep met spel- of wedstrijdelement waarbij conditie en vaardigheid vereist zijn

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. lichamelijke bezigheid ter ontspanning of als beroep met spel- of wedstrijdelement waarbij conditie en vaardigheid vereist zijn
  2. spel
  3. trede van een ladder
  4. stoelspaak

Voorbeelden van "sport" in een zin

  • Al is dit onderzoek inmiddels bijgesteld, een direct verband tussen industrialisering en de modernisering van sport blijft moeilijk vast te stellen.
  • Het makkelijkst is de invloed van industrialisering op sport misschien nog te verklaren op basis van harde cijfers: de toename in productiviteit en inkomen maakte ruimte voor sportieve vrijetijdsbeoefening en de 'passieve' sportliefhebber (en dus een consumentenmarkt voor sport), vooral vanaf het laatste kwart van de negentiende eeuw - dus bijna een eeuw na de eerste industriële productielijnen in het Verenigd Koninkrijk.
  • Sommige fabrikanten zagen sport in hetzelfde licht als een middel tegen oprukkend socialisme, een disciplineringsinstrument om de werkende klasse mee in het gelid te houden.
  • Voor England was het een sport om zo zuinig mogelijk te leven.

Betekenis en uitleg van sport

Sport verwijst naar fysieke activiteiten die vaak competitief van aard zijn, waarbij vaardigheden, kracht en uithoudingsvermogen worden getest. Het is niet alleen een manier om fit te blijven, maar ook een manier om plezier te hebben en sociale contacten te leggen.

Het woord 'sport' wordt vaak gebruikt in verschillende contexten, van amateuractiviteiten tot professionele competities. Je kunt het gebruiken wanneer je het hebt over teamsporten zoals voetbal of individuele sporten zoals tennis. Sport kan ook bredere betekenissen hebben, zoals in 'sportieve houding' of 'sportkleding', wat aangeeft dat het niet alleen om de activiteit zelf gaat, maar ook om de levensstijl die ermee gepaard gaat.

Voorbeelden

  • Na een lange werkweek geniet ik ervan om in het weekend een potje tennis te spelen.
  • De sport van het jaar werd gekozen tijdens de jaarlijkse prijsuitreiking van de lokale sportvereniging.
  • Zij heeft een sportieve instelling en moedigt anderen altijd aan om actief te blijven.

Woordoorsprong

Het woord 'sport' komt van het Oudfranse 'desport', wat 'vermaak' of 'ontspanning' betekent. Het heeft zich door de eeuwen heen ontwikkeld tot de hedendaagse betekenis die we nu kennen.

Veelgestelde vragen over sport

Wat is de betekenis van sport?

sport betekent: lichamelijke bezigheid ter ontspanning of als beroep met spel- of wedstrijdelement waarbij conditie en vaardigheid vereist zijn

Hoeveel betekenissen heeft sport?

sport heeft 4 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft sport?

sport is een mannelijk/vrouwelijk (de).

Hoe gebruik je sport in een zin?

Voorbeeld: “Al is dit onderzoek inmiddels bijgesteld, een direct verband tussen industrialisering en de modernisering van sport blijft moeilijk vast te stellen.

Etymologie

* In de betekenis van ‘trede van ladder’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1301

Uitdrukkingen

  • een sport maken van

Vertalingen

Engelssport, rung, rung
Franssport, échelon, barreau
DuitsSport, Sprosse, Steg
Spaansdeporte, escalón, barrote
Italiaanssport
Portugeesesporte, desporto
Russischспорт
Japansスポーツ, supōtsu
Poolssport
Zweedssport