spraak
mannelijk/vrouwelijk (de)/sprak/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het vermogen om te sprekenBij hersenletsel kan de spraak nadelig beïnvloed worden.Hopelijk kon ik nog wel wat zien, anders was ik behalve mijn spraak ook nog mijn zicht kwijt.
- manier van spreken (van een persoon of groep personen)
Etymologie
* van spreken
Vertalingen
Engelsspeech
Franslangage
DuitsSprache
Spaanslenguaje
Zweedsspråk
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek