spraak

mannelijk/vrouwelijk (de)/sprak/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het vermogen om te spreken
    Bij hersenletsel kan de spraak nadelig beïnvloed worden.
    Hopelijk kon ik nog wel wat zien, anders was ik behalve mijn spraak ook nog mijn zicht kwijt.
  2. manier van spreken (van een persoon of groep personen)

Etymologie

* van spreken

Vertalingen

Engelsspeech
Franslangage
DuitsSprache
Spaanslenguaje
Zweedsspråk