springplank

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈsprɪŋplɑŋk/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. verende plank waar vanaf je je kunt afzetten om een sprong te maken
    Hij nam een aanloop, sprong op de springplank en maakte daarna zijn oefening op het turntoestel.
  2. uitvalsbasis
    Het zomerhuisje diende als springplank voor tochtjes door het mooie berglandschap.
  3. iets wat dient om hogerop te komen in de maatschappij
    Deze baan was een goede springplank om directeur te worden.