spuiten

/ˈspœytə(n)/

Betekenis

werkwoord
  1. ov (ov) onder druk een vloeistof snel door een nauwe opening doen uitstromen
    Hij spoot rode verf op de muur.
  2. erga (erga) het proces van snelle uitstroming van een vloeistof onder druk
    Het water spoot uit het gat in het vat.
    Een van de andere jongens kreeg die avond zijn trailnaam. Ik had hem gevraagd de wijn vast open te trekken. Hij draaide de kurkentrekker de fles in en de wijn spoot over hem heen. De fles bleek namelijk geen kurk, maar een draaidop te hebben.
  3. inerg, informeel (inerg) (informeel) heroïne gebruiken
    Hij begon met coke, maar nadat het uitraakte met zijn vriendin ging hij spuiten.
  4. seksualiteit, informeel (seksualiteit), (informeel) ejaculeren

Etymologie

* van Middelnederlands "spoiten"

Vertalingen

Engelsspray, spout
Fransjaillir
Duitsspritzen