spullen

meervoud/spɵlə(n)/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het toebehoor van iemand
    Ik heb je spullen in de kast gezet.
    De zon was nog niet op en met mijn hoofdlamp checkte ik nog een laatste keer al mijn spullen om te zorgen dat ik niets zou vergeten.
    "Het is dit jaar voor eerst dat we het effect zo duidelijk zien", zegt voorzitter Rachel Heijne van Kringloop Nederland. "We zien ook dat de kwaliteit van spullen gewoon echt slecht is. Het is kleding die na een paar keer wassen kapot gaat. Die kun je niet in de kringloop verkopen.

Etymologie

* van spul

Vertalingen

Engelsstuff, things
DuitsDinge, Sachen