stam
mannelijk (de)/stɑm/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- dikke houtige stengel van een struikDe Zweedse bossen konden kant-en-klare stammen van twintig meter leveren, maar voor het werk met de palen in de rivier hadden ze de dubbele lengte nodig. Ze moesten daarom twee stammen samenvoegen om een paal van veertig meter te krijgen.
- (bloemplanten) deel van de boom tussen de wortels en de kruinWederom slingerde hij mijn touw in één keer over de hoge tak, bevestigde mijn voedselzak eraan, hees hem vier meter de lucht in en bond het touw vast aan de stam van de boom.
- (genealogie) geslacht, familielijn
- (antropologie) op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
- (anatomie) grote ader die in kleinere aderen vertakt
- (biologie) taxon dat bestaat uit een of meer klassen en dat deel uitmaakt van een rijkEen uitgestorven taxonomische stam.
- (taalkunde) onvervoegde of onverbogen woordvormDe stam van het werkwoord.
Etymologie
*van Middelnederlands """, in de betekenis van ‘deel van boom’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350
Vertalingen
Engelstrunk, trunk, tree-trunk
Franstronc, tribu, racine
DuitsStamm, Stamm, Stamm
Spaanstronco, tribu, raíz
Italiaansceppo, tronco, radice
Portugeestronco, tribo, radical
Russischствол, стебель, ствол
Japans茎, 幹, 幹
Koreaans그루, 겨레
Arabischقبيلة
Poolspień, plemię, temat
Zweedsstjälk, stam, stam
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek