stam

mannelijk (de)/stɑm/

Wat is de betekenis van stam?

stam betekent: dikke houtige stengel van een struik

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dikke houtige stengel van een struik
  2. bloemplanten (bloemplanten) deel van de boom tussen de wortels en de kruin
  3. (genealogie) geslacht, familielijn
  4. antropologie (antropologie) op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
  5. anatomie (anatomie) grote ader die in kleinere aderen vertakt
  6. biologie (biologie) taxon dat bestaat uit een of meer klassen en dat deel uitmaakt van een rijk
  7. taalkunde (taalkunde) onvervoegde of onverbogen woordvorm

Voorbeelden van "stam" in een zin

  • De Zweedse bossen konden kant-en-klare stammen van twintig meter leveren, maar voor het werk met de palen in de rivier hadden ze de dubbele lengte nodig. Ze moesten daarom twee stammen samenvoegen om een paal van veertig meter te krijgen.
  • Wederom slingerde hij mijn touw in één keer over de hoge tak, bevestigde mijn voedselzak eraan, hees hem vier meter de lucht in en bond het touw vast aan de stam van de boom.
  • Een uitgestorven taxonomische stam.
  • De stam van het werkwoord.

Betekenis en uitleg van stam

Het woord 'stam' verwijst naar een groep mensen die een gemeenschappelijke afkomst of cultuur delen. Het kan ook verwijzen naar de basisstructuur van een plant of het centrale deel van een woord in de taalkunde.

Je gebruikt 'stam' vaak in de context van familie- of etnische groepen, waarbij het een gevoel van verbondenheid en gedeelde geschiedenis oproept. In de taalkunde verwijst het naar de wortel of het fundament van een woord waaruit andere vormen zijn afgeleid. Dit woord kan ook in bredere zin worden gebruikt om de kern of belangrijkste elementen van iets aan te duiden.

Voorbeelden

  • De stam van de familie komt jaarlijks bij elkaar om oude tradities in ere te houden.
  • In de taalkunde is de stam van het werkwoord cruciaal voor het begrijpen van vervoegingen.
  • De stam van de boom was zo dik dat het een schuilplaats bood voor verschillende dieren.

Woordoorsprong

Het woord 'stam' heeft zijn oorsprong in het Oudnederlands en is verwant aan het woord 'stamma', wat 'tak' of 'afkomst' betekent.

Veelgestelde vragen over stam

Wat is de betekenis van stam?

stam betekent: dikke houtige stengel van een struik

Hoeveel betekenissen heeft stam?

stam heeft 7 verschillende betekenissen in het Nederlands. Zie hierboven voor alle definities.

Welk woordgeslacht heeft stam?

stam is een mannelijk (de).

Wat zijn synoniemen van stam?

Synoniemen van stam zijn: boomstam, volksstam.

Hoe gebruik je stam in een zin?

Voorbeeld: “De Zweedse bossen konden kant-en-klare stammen van twintig meter leveren, maar voor het werk met de palen in de rivier hadden ze de dubbele lengte nodig. Ze moesten daarom twee stammen samenvoegen om een paal van veertig meter te krijgen.

Etymologie

*van Middelnederlands """, in de betekenis van ‘deel van boom’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350

Vertalingen

Engelstrunk, trunk, tree-trunk
Franstronc, tribu, racine
DuitsStamm, Stamm, Stamm
Spaanstronco, tribu, raíz
Italiaansceppo, tronco, radice
Portugeestronco, tribo, radical
Russischствол, стебель, ствол
Japans茎, 幹, 幹
Koreaans그루, 겨레
Arabischقبيلة
Poolspień, plemię, temat
Zweedsstjälk, stam, stam