stam

mannelijk (de)/stɑm/

Wat is de betekenis van stam?

stam betekent: dikke houtige stengel van een struik

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. dikke houtige stengel van een struik
  2. bloemplanten (bloemplanten) deel van de boom tussen de wortels en de kruin
  3. (genealogie) geslacht, familielijn
  4. antropologie (antropologie) op verwantschap berustende samenlevingsvorm van meer families in beschavingen met weinig verstedelijking
  5. anatomie (anatomie) grote ader die in kleinere aderen vertakt
  6. biologie (biologie) taxon dat bestaat uit een of meer klassen en dat deel uitmaakt van een rijk
  7. taalkunde (taalkunde) onvervoegde of onverbogen woordvorm

Voorbeelden van "stam" in een zin

  • De Zweedse bossen konden kant-en-klare stammen van twintig meter leveren, maar voor het werk met de palen in de rivier hadden ze de dubbele lengte nodig. Ze moesten daarom twee stammen samenvoegen om een paal van veertig meter te krijgen.
  • Wederom slingerde hij mijn touw in één keer over de hoge tak, bevestigde mijn voedselzak eraan, hees hem vier meter de lucht in en bond het touw vast aan de stam van de boom.
  • Een uitgestorven taxonomische stam.
  • De stam van het werkwoord.

Etymologie

*van Middelnederlands """, in de betekenis van ‘deel van boom’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350

Vertalingen

Engelstrunk, trunk, tree-trunk
Franstronc, tribu, racine
DuitsStamm, Stamm, Stamm
Spaanstronco, tribu, raíz
Italiaansceppo, tronco, radice
Portugeestronco, tribo, radical
Russischствол, стебель, ствол
Japans茎, 幹, 幹
Koreaans그루, 겨레
Arabischقبيلة
Poolspień, plemię, temat
Zweedsstjälk, stam, stam