stamboom
mannelijk (de)/'stɑmbom/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- boom van een geslacht, d.i. het geslacht vergeleken bij een boom, waarvan de stam zich telkens meer vertaktstamboom van het Huis van Oranje.
- tekening die een boom voorstelt, en waarin de leden van een geslacht in hun verschillende graden van verwantschap worden vermeldEen stamboom van zijn familie opmaken.
- boom met rechtopgaande stam
Vertalingen
Engelsfamily tree, pedigree
Spaanspedigrí, árbol genealógico
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek