stamkroeg

mannelijk/vrouwelijk (de)/ˈstɑmkrux/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. café waar iemand vaak komt als vaste gast
    In het weekend gingen we 's avonds ergens eten en dronken ons in de loop van de nacht een stuk in de kraag in de bar in de Folkoperaen, onze stamkroeg, of in Guldapan, een van onze andere favoriete kroegen, in het Folkhemmet of in de grote bar aan het Odenplan. {{Aut|Knausgard,Karl
    's Avonds lopen Golob en ik van zijn flat naar de binnenstad. In de Herrengasse en op de Hauptplatz liggen bloemen, mensen steken kaarsen aan. Van het plein wandelen we naar Golobs stamkroeg, aan de rivier de Mur. Onderweg groeten onbekenden hem, een oude man vraagt een handtekening en wil met Golob op de foto. {{Aut|Casteren, Joris van
    Door de week is Pattyn als psycholoog verbonden aan het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (CLB) Mandel en Leie Kortrijk. In het weekend quizt hij er in heel Vlaanderen op los. Meestal met Caf Den Hemel, de naam van zijn stamkroeg in Gent en van zijn quizteam. In 2007 werd hij ook al individueel Europees kampioen.de Standaard 14 NOVEMBER 2017

Etymologie

* In de betekenis van ‘café van een habitué’ voor het eerst aangetroffen in 1950

Vertalingen

Engelslocal bar, favourite pub