stapel

mannelijk (de)/ˈstapəl/

Wat is de betekenis van stapel?

stapel betekent: een gestructureerde hoop spullen

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een gestructureerde hoop spullen
  2. scheepvaart (scheepvaart) de tijdelijke constructie waarop een in aanbouw of reparatie zijnd schip rust
  3. muziek (muziek) een houten stokje ingeklemd tussen het boven- en onderblad van de klankkast van een snaarinstrument

Voorbeelden van "stapel" in een zin

  • Er ligt een stapel boeken op tafel.
  • Op het nachtkastje de overvolle asbak, een stapel detectives en haar Vogue's, met ezelsoren.
  • Ik legde de lege cahiers die ik had meegenomen links op een stapel, met mijn vulpen ernaast.
  • Het schip zal volgende maand van stapel lopen.
  • De plaatsing van de stapel van een viool is van essentieel belang voor de klank van het instrument.

Etymologie

*(erfwoord) via Middelnederlands "stapel" van , in de betekenis van ‘hoop’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1046

Vertalingen

Engelspile, stack, stocks
Fransmonceau, tas, pile
DuitsHaufen, Stapel, Stapel
Spaansmontón, pila, alma
Italiaansmucchio
Portugeespilha, monte
Russischкуча, стопка, стапель
Chinees
Japans積み重ね, つみかさね
Koreaans무더기
Arabischكوم
Zweedshög