steel

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. materiaalkunde, gereedschap (materiaalkunde), (gereedschap) staaf- of buisvormig handvat, bijv. bij gereedschappen
    De borstel heeft een ijzeren steel.
    De steel van de pijp.
  2. deel van een plant waarmee een bloem of vrucht aan de stengel vastzit, bladsteel
    Pak de bloem bij de steel.
  3. figuurlijk (figuurlijk) verbindingsstuk als zodanig, bijv. in de anatomie
    De hypofyse zit vast aan de hypofyse-steel.

Etymologie

* In de betekenis van β€˜stengel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1344

Uitdrukkingen

  • De bijl naar de steel werpen β€” Het opgeven
  • Een hark zonder steel β€” Iets zonder enige waarde
  • Ogen op steeltjes hebben β€” Verbaasd kijken
  • Snappen/Weten hoe de vork in de steel zit β€” Iets doorhebben, weten hoe het in elkaar zit, de achtergrond van iets begrijpen