steel
mannelijk (de)/xxxx/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (materiaalkunde), (gereedschap) staaf- of buisvormig handvat, bijv. bij gereedschappenDe borstel heeft een ijzeren steel.De steel van de pijp.
- deel van een plant waarmee een bloem of vrucht aan de stengel vastzit, bladsteelPak de bloem bij de steel.
- (figuurlijk) verbindingsstuk als zodanig, bijv. in de anatomieDe hypofyse zit vast aan de hypofyse-steel.
Etymologie
* In de betekenis van ‘stengel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1344
Uitdrukkingen
- De bijl naar de steel werpen — Het opgeven
- Een hark zonder steel — Iets zonder enige waarde
- Ogen op steeltjes hebben — Verbaasd kijken
- Snappen/Weten hoe de vork in de steel zit — Iets doorhebben, weten hoe het in elkaar zit, de achtergrond van iets begrijpen
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek