stegel

mannelijk (de)/ˈsteɣəl/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. (gewestelijk) stijgbeugel
  2. (gewestelijk) bankje dat men kan gebruiken om over een hek heen te stappen

Etymologie

*(erfwoord): Middelnederlands stēghel(e) (f) ‘gang, pad, steeg’, ontwikkeld uit Oergermaans *stigilō ‘overstap (om over een heining te komen)’, verkleinwoord bij *stigō- ‘steile weg’, waaruit steeg; verder zie aldaar. Evenzo Nederduits Stegel, Zuid-Duits Stiegel en Engels stile, alle ‘overstap’.