stijfheid

vrouwelijk (de)/ˈstɛifhɛit/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. het stijf zijn, de mate waarin een materiaal of een constructie zich tegen elastische vervorming verzet, de onbuigzaamheid, starheid
  2. onhandigheid, houterigheid
    Oscar kwam overeind, rekte zich uit en deed een paar rompoefeningen om de stijfheid kwijt te raken, alsof hijzelf ook de strijd aan zou moeten gaan.
  3. weinig hartelijke houding

Etymologie

*afgeleid van stijf

Vertalingen

Engelsrigor, rigour
Spaansrigor