stijfheid
vrouwelijk (de)/ˈstɛifhɛit/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- het stijf zijn, de mate waarin een materiaal of een constructie zich tegen elastische vervorming verzet, de onbuigzaamheid, starheid
- onhandigheid, houterigheidOscar kwam overeind, rekte zich uit en deed een paar rompoefeningen om de stijfheid kwijt te raken, alsof hijzelf ook de strijd aan zou moeten gaan.
- weinig hartelijke houding
Etymologie
*afgeleid van stijf
Vertalingen
Engelsrigor, rigour
Spaansrigor
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek