stoïcijn

mannelijk (de)/xxxx/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een onverstoorbaar en gelijkmoedig mens die leed onverstoorbaar draagt
    De stoïcijn naast de bank riep: laaaaar en liet van opwinding zijn lege mok op het parket kapotvallen. Hij rende naar de televisie om de herhaling beter te zien: 'Zie je dat? Die vent neemt het leer in één keer op zijn slof!' {{Aut|Natter, Bert
    Onophoudelijk speelt hij rollen: die van de diplomaat, de aristocraat, de gentleman, de stoïcijn en zo verder. Hij is zich volkomen bewust van zijn onechtheid, want hij bestudeert zichzelf voortdurend, maar redeneert die weg: 'En wat ge u inbeeldt te zijn, dat zijt ge tenslotte.' {{Aut| Geerdink, Nina Joosten,Jos Oosterman,Johan
    Hij zorgde ook dat hij angsthazen met angsthazen vergeleek, stoïcijnen met stoïcijnen en vrouwen met vrouwen.de Standaard 24 NOVEMBER 2017

Etymologie

* uit het Frans

Vertalingen

Engelsstoic