stoel

mannelijk (de)/stul/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. meubel (meubel) een zitmeubel voor één persoon met een rugleuning
    Halen jullie de stoelen even naar buiten, dan gaan we buiten eten.
    Wat ik zag toen ik me naar het huis omdraaide, zal ik nooit meer vergeten.
    Terwijl ik goedkeurend met mijn vinger langs de vergulde lambrisering streek, de dikte voelde van de stof van de zware, oker overgordijnen en de stoel wegschoof om de openslaande deuren te openen naar het terras, dat uitzicht bood op de rozentuin, of wat daarvan over was, en de vijver met de defecte fontein, bedacht ik dat ik nog tijd genoeg zou hebben om deze kamer en detail te beschrijven.
  2. plantkunde (plantkunde) wortelstel met stengelvoet van een plant (-> bananenstoel)
  3. verouderd , (verouderd) bloembodem
  4. mycologie, verouderd (mycologie), (verouderd) paddenstoel
  5. techniek (techniek) onderstel waar iets op rust (-> dakstoel, klokkenstoel, zaagstoel)
  6. techniek (techniek) weefgetouw
  7. medisch (medisch) faeces, ontlasting [2], stoelgang

Etymologie

* In de betekenis van ‘zitplaats’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901

Uitdrukkingen

  • In zijn stoel neerploffen(Al dan niet letterlijk) Vermoeid in zijn stoel gaan zitten; neerploffen, neerzijgen
  • Op de stoel van de rechter gaan zittenIn een kwestie zelf voor rechter spelen (terwijl men daarvoor eigenlijk niet in de gepaste positie is)
  • Tussen twee stoelen in de as vallenMislukken
  • Voor stoelen en banken praten/prekenIets vertellen zonder toehoorders
  • Zijn mening niet onder stoelen of banken stekenZijn mening luid en duidelijk verkondigen

Vertalingen

Engelschair
Franschaise
DuitsStuhl
Spaanssilla
Italiaanssedia
Portugeescadeira
Russischстул
Chinees椅子
Japans椅子
Koreaans의자
Arabischكرسي
Turkssandalye
Poolskrzesło
Zweedsstol
Deensstol