stoelgang
mannelijk (de)/'stulɣɑŋ/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (medisch) (eufemisme) het proces van zich op gezette tijden ontlasten van fecaliënDe stoelgang was gestoord als gevolg van zijn ziekte.
- (medisch) medische term voor de menselijke uitwerpselen zelfHeeft u al stoelgang gemaakt?
Etymologie
* Leenvertaling of leenwoord van Duits "Stuhlgang", verwijzend naar het discreet lopen naar de zogenaamde nachtstoel, een meubelstuk waar men zittend zijn behoefte kan doen. In de betekenis van ‘ontlasting’ voor het eerst aangetroffen in 1477
Vertalingen
Engelsdefecation, evacuation, stool
Fransdéjection, selles, déjections
DuitsStuhlgang, Stuhlgang
Spaansdeposición, defecación, deposición
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek