stoelpoot
mannelijk (de)/ˈstuɫpot/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- de poot van een stoelDoordat toen hij ging zitten de stoelpoot brak, viel hij op de grond.
Vertalingen
Engelschairleg
Franspied de chaise
DuitsStuhlbein
Spaanspata de la silla
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek