stoelpoot

mannelijk (de)/ˈstuɫpot/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. de poot van een stoel
    Doordat toen hij ging zitten de stoelpoot brak, viel hij op de grond.

Vertalingen

Engelschairleg
Franspied de chaise
DuitsStuhlbein
Spaanspata de la silla