stoet

mannelijk (de)/stut/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. groep mensen of dieren die in een lange rij in een bepaalde richting verplaatsen
    Is die stoet nou nog niet afgelopen?
    Een stoet van honderd auto's heeft zaterdagmiddag overlast veroorzaakt in het centrum en de buitenwijken van Bergen op Zoom.
  2. figuurlijk (figuurlijk) grote hoeveelheid
    Oh, daar is een hele stoet van!
    Rechthebbenden, meervoud, want de auteur is niet de enige die een leenrechtvergoeding krijgt. (…) Dat betekent dat naast de auteur, die financieel echt afhankelijk is van de verkoop van het boek, een hele stoet ‘belanghebbenden’ de hand ophoudt die al lang voor de verrichte werkzaamheden betaald is.
zelfstandig naamwoord
  1. voeding (voeding) vloerbrood gemaakt uit hogere kwaliteit meel
    Wie geld heeft, kan stoet kopen. Stoet, d.i. wittebrood; de gewone mensen eten roggebrood; het is weer een van die kernachtigheden, waar de Grunneger taal zo rijk aan is.

Etymologie

*[B] van Middelnederlands """ "bal" / "stuyt" "soort brood", vanwege de afgeronde vorm of het stoten van het deeg bij de bereiding

Vertalingen

DuitsZug
Spaanscomitiva