stok
mannelijk (de)/stɔk/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- langwerpig voorwerp om te stoten, slaan, aanraken, aangeven (van toon), steken, te likken of te prikkenWandelstokken? Inderdaad, ik was met de trend meegegaan en had een paar Leki Thermalite-wandelstokken aangeschaft. Deze deden ook dienst als tentpalen, twee vliegen in een klap dus. In totaal scheelden deze multifunctionele stokken mij 350 gram aan gewicht.
- (spel) voorraad speelkaarten die na het rondgeven overblijven en waarvan men kan nemen of kopen
- een gedeelte van een stuk (effect, cheque) zonder het betalings- of ontvangstbewijs, souche, talon
Etymologie
* In de betekenis van ‘tak, staaf’ voor het eerst aangetroffen in 1197
Uitdrukkingen
- Wie een hond wil slaan, kan gemakkelijk een stok vinden. — Als je iemand (ergens mee) wilt afkeuren is er altijd wel een reden te vinden.
- als de stok stijf staat is de uil gaan vliegen — Een seksueel opgewonden persoon (man) kan geen verstandige dingen zeggen (of is niet vatbaar voor wijze raad).
- een stok tussen de benen steken
- een stok achter de deur — een dreigement of sanctie achter de hand hebben
- alle gekheid op een stokje — even nu serieus zijn
- het aan de stok hebben — ruzie hebben met iemand
- met de kippen op stok gaan — vroeg naar bed gaan
- van zijn stokje gaan — flauwvallen
Vertalingen
Engelsstick, cane
Fransbâton, baguette
DuitsStock
Spaanspalo, bastón
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek