stool

mannelijk (de)/stol/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. kleding, religie (kleding) (religie) schouderband van priester om de hals gedragen bij het verrichten van bepaalde geestelijke handelingen
    De albe is het witte linnen kleed van de priester waarover de stool en de kazuifel worden gedragen.

Etymologie

* via Middelnederlands "stole" en Latijn "stola" "lang, deftig gewaad" van "στολή" (stolè) "gewaad", in de betekenis van ‘schouderband van priester’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1236

Vertalingen

Engelsstole
Spaansestola