stoot

mannelijk (de)/stot/

Betekenis

zelfstandig naamwoord
  1. een kracht van korte duur die tegen iets of iemand aan wordt uitgeoefend
    Hij gaf hem een flinke stoot.
    Hoewel Joy daarstraks nog in een halve coma verkeerde, schuifelt ze nu opeens ook de ontbijtzaal binnen en geeft me een stoot terwijl ze naar haar telefoon staart.
  2. een kortdurende dosis
    Er schoot een stoot adrenaline door mijn lijf en ik bleef doodstil staan.
  3. (Zuid-Nederlands) een ongelooflijke en vaak toevallige gebeurtenis
  4. informeel (informeel) aantrekkelijk, knap iemand

Uitdrukkingen

  • horten en stotenmet schokken vooruitgaan

Vertalingen

Engelsprick, push, spades