stootvogel
mannelijk (de)/ˈstotfoɣəl/
Betekenis
zelfstandig naamwoord
- (dierkunde) (valkerij) roofvogel die zich op zijn prooi stort
Etymologie
* in de betekenis van ‘roofvogel die zich op zijn prooi stort’ aangetroffen vanaf 1836
Bron: OpenTaal & WikiWoordenboek